KKGT  Stichting Kwaliteitsbewaking Klinische Geneesmiddelanalyse en Toxicologie

Start

Nieuws

English Version

Bestuur

Programma's

Controle serum

Concentraties testen

Uitslagformulieren

Verzendschema

Discussiedagen

Criteriumtabel

Hyperlinks

Jaarscore en Certificaat

 

Nieuwe serum kreatinine standaardisatie-implicaties voor TDM

mw. C. Cobbaert, Amphia Ziekenhuis Breda en
C. Neef, Apotheek Academisch Ziekenhuis Maastricht

Achtergrond, fact and figures

Door nieuwe Europese regelgeving (IVD richtlijn 98/79/EC) betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitro diagnostiek, omgezet in het koninklijk besluit 385 van 22 juni 2001 en gepubliceerd in het Nederlands Staatsblad, werden in de Europese Unie diagnostica fabrikanten in de periode 2002-2003 verplicht de kreatinine standaardisatie te herzien.  Kreatinine bepalingsmethoden dienden volgens de nieuwe regelgeving geijkt te worden ten opzichte van een standaard van “een hogere orde”, met behulp van een internationaal erkend referentiesysteem (www.bipm.org).  Door de herijking worden doorgaans 5-20% lagere serum kreatinine (sCr) meetwaarden gerapporteerd t.o.v. de meetwaarden bij de conventionele standaardisatie. 

 Daarnaast is door o.a. de Amerikaanse National Kidney Disease Education Programme (NKDEP) een campagne opgezet voor vroegtijdige opsporing van nierbeschadiging.  Deze campagne kent ook navolging in Nederland.  DE NKDEP laboratoriumwerkgroep bepleit daarbij dat klinisch chemische laboratoria bij iedere serum kreatinine aanvraag in een stabiele patiënt een geschatte GFR (eGFR of estimated GFR) mee rapporteren, berekend op basis van de MDRD formule. De MDRD formule laat een urine-vrije schatting toe van de nierfunctie, op basis van serum kreatinine, geslacht, leeftijd en ras. De kreatinine herstandaardisatie werkt ook hier door aangezien de 5-20% verlaging in serum kreatinine waarden t.g.v. herijking van de kreatinine bepaling een quasi evenredige verhoging van de  geschatte GFR of de gemeten kreatinine klaring meebrengt. Met mogelijk consequenties voor geneesmiddelendoseringen.

Door de vele bronnen die eGFR variabiliteit veroorzaken (patiëntgebonden biologische variatie; biologische variatie van de serum en urine filtratie merkers; collectiefouten bij de 24-uurs urine verzameling; tekortkomingen en/of fouten in de kreatinine bepalingen door interferenties, imprecisie en calibratie bias, alsook door inherente tekortkomingen van de eGFR vergelijkingen zelf) heeft de NKDEP werkgroep bepaald dat een eGFR formule die in 90% van de gevallen max. 30% afwijkt t.o.v. een gemeten klaring met inuline of 125 I-iodothalamaat een acceptabel screening- en monitoring tool is voor detectie van chronische nierinsufficiëntie (CNI).  Daarnaast beveelt NKDEP aan dat de bijdrage van de totale meetfout, een foutenbudget dat imprecisie en calibratiebias combineert, max. 10% mag bedragen in het kritische serum kreatinine gebied van 88-133 µmol/L (www.nkdep.nih.gov).

De praktijk in klinisch chemisch Nederland illustreert evenwel dat de combinatie van totale meetfout (som van calibratie bias en random variatie) met aanwezigheid van interfererende stoffen in de patiëntenmonsters (cave: pseudochromogenen bij Jaffé reacties)  en beperkingen inherent aan de eGFR formule vaak leiden tot overschrijding van de 30% aanbeveling van de NKDEP werkgroep.  Met name de kreatinine bepalingsmethoden o.b.v. Jaffé technieken blijken inferieur!  De enzymatische methoden laten wel toe om binnen het “total error” budget te blijven.  Om juiste eGFR waarden te rapporteren verdient het aanbeveling om over te gaan op specifieke (enzymatische) kreatinine bepalingsmethoden. 

Aanbeveling van het gebruik van MDRD als schatter voor eGFR brengt mee dat laboratoria mogelijkerwijs overgaan van Cockcroft en Gault naar MDRD.  Cockcroft en Gault (CG; klaring in ml/min) is van oudsher geijkt op de kreatinine klaring, en is derhalve een maat voor glomerulaire filtratie én tubulaire secretie.  MDRD daarentegen is afgeijkt op GFR (in ml/min/1.73 m2) en is derhalve een maat voor de zuivere glomerulaire filtratie.  Bij ogenschijnlijk gezonde patiënten bedraagt de tubulaire secretie 20%.  Bij invoering van de MDRD formule worden, op grond van de definitie, 20% lagere klaringen verwacht t.o.v. de originele, niet gecorrigeerde CG.
MDRD is een betere schatter dan CG voor vroege opsporing CNI; MDRD is evenwel niet gevalideerd als zijnde beter dan CG voor GM-dosisaanpassingen in een brede patiëntgroep.

Wat zijn de consequenties van serum kreatinine herstandaardisatie en MDRD implementatie?  

Met de kreatinine herstandaardisatie is “metrologische traceerbaarheid” geborgd. Echter, voor met name TDM is de relatie met de conventionele serum kreatinine calibratie en de oude formules verbroken.  De situatie verschilt bovendien per klinisch chemisch laboratorium, naargelang de historische uitgangssituatie van het laboratorium.

Om de “klinische traceerbaarheid” op te helderen kunnen de volgende adviezen overwogen worden:  

§          Informeer bij uw klinisch chemisch lab naar de in gebruik zijnde kreatinine methodiek en naar de wijze van standaardisatie van sCr (conventioneel versus IDMS gebaseerd); informeer ook -indien van toepassing- naar de gebruikte eGFR formule en naar impact van de overgang.

§          Verifieer of de GM-doseertabellen al of niet gebaseerd zijn op kreatinine methodologie met conventionele dan wel IDMS-gebaseerde calibratie, en/of op Cockcroft & Gault (CG) dan wel op MDRD. 

§          T.g.v. sCr herijking, eventueel met overgang naar kreat. enzymatisch, zijn de nieuwe sCr waarden bij volwassenen 5 tot 20% lager en de eGFR waarden 5 tot 20% hoger. Verhoog zonodig het sCr met 5-20% om de link met de “oude” doseeradviezen te behouden.

§          T.g.v. overgang van CG (zonder ideaal gewicht of andere lichaamsoppervlakte correcties) naar MDRD zijn de gerapporteerde eGFR waarden op basis van MDRD per definitie (20%) lager.

§          Per lab zijn de gevolgen van recalibratie en formulewijziging verschillend, afhangende van de historische uitgangssituatie.

§          Doorgaans wordt een niet al te grote impact op het doseeradvies verwacht in geval van discrete doseerschema’s.  Er is wel degelijk risico op over- dan wel onderdosering bij borderline CrCl of eGFR. 

§          Bij introductie nieuwe GM dient farmaceutische industrie aangespoord te worden om farmacokinetische studies uit te voeren met herijkte sCr bepalingsmethoden.

 Algemene conclusies 

§          Kreatinine herstandaardisatie beoogt mondiale uitwisselbaarheid van kreatinine  meetwaarden en metrologische traceerbaarheid.  De recent doorgevoerde kreatinine herstandaardisatie heeft 5-20% lagere serum kreatinine waarden meegebracht.

§          Landelijk onderzoek toont aan dat juiste kreatinine meetresultaten worden gevonden bij met name de meer specifieke, enzymatische bepalingsmethoden. Niet specifieke Jaffé bepalingsmethoden blijven slecht presteren.  Logisch: specificiteitsproblematiek kan niet opgelost worden door herstandaardisatie. 

§          Niet specificiteit van Jaffé methoden draagt bovendien bij aan onjuiste kreatinine klaringen c.q. schattingen van de nierfunctie (onderschatting).  Compenseren van Jaffé meetresultaten met een constante factor biedt een gedeeltelijke oplossing bij volwassenen, maar is ongeschikt bij kinderen door overschatting van de eGFR.  Richting klinisch chemische laboratoria verdient het dringend aanbeveling om inferieure kreatinine bepalingsmethoden te verlaten, teneinde de variabiliteit op eGFR schattingen te beperken, conform de aanbevelingen van NKDEP.

§          De doorgevoerde kreatinine herstandaardisatie vereist niet alleen aanpassing van de serum kreatinine referentiewaarden, maar heeft ook impact op de uitkomsten van afgeleide formules voor kreatinine klaring of eGFR!  Zo heeft de herstandaardisatie bijstelling van de MDRD formule met een factor x 0.95 gevergd.

§          Overgaan van Cockcroft & Gault naar MDRD-berekening brengt daarnaast, omwille van het definitieverschil, mee dat de eGFR schattingen gemiddeld 20% lager liggen. 

§          Zowel de recente kreatinine herstandaardisatie als de MDRD-eGFR implementatie vergen dat er omzichtig wordt omgegaan met het gebruik van historische nomogrammen of doseeradviezen bij geneesmiddelen die via de nier worden geklaard.  Omdat de uitgangssituatie verschilt per lab is overleg met de lokale klinisch chemicus van belang om de lokale situatie in beeld te brengen teneinde te kunnen anticiperen op over- of onderdosering van renaal geklaarde geneesmiddelen.   

De gevolgen van de veranderde nierfunctie bepaling en/of berekening 

Zoals hiervoor al is geschetst zijn er twee veranderingen waar rekening mee moet worden gehouden: de bepalingstechniek en de berekening van de (geschatte) creatinine klaring of de Glomerulaire Filtratie Snelheid (eGFR). Gebruik van één van deze twee parameters Clcreat of eGFR) kan voor het doseren van geneesmiddelen twee gevolgen hebben, die hier voor het gemak als de relatieve en de absolute methode aangeduid worden. Aan de hand van twee geneesmiddelen zal getoond worden wat de gevolgen van deze veranderingen zijn. 

De relatieve methode:
Voorbeeld geneesmiddel is hier een aminoglycoside, gentamicine. Voor de start van de therapie is het niet nodig de nierfunctie te kennen: de start dosis is onafhankelijk van de klaring. Meestal starten we met 4-6 mg/kg. Voor het uitrekenen van het doseerinterval hebben we wel de nierfunctie nodig. Meestal wordt hier de creatinine klaring voor gebruikt, met als berekening die volgens Cockroft en Gault (C&G). In TDM praktijk in Nederland is het niet ongebruikelijk de formule van Jelliffe (Jelliffe II) hiervoor te gebruiken. Vervolgens wrodt de uitscheidingseliminatie constante berekend volgens de formule Ke = Knr + Kslope x CLcreat. Hierin is Ke de uitscheidingssnelheids constante (omgekeerd evenredig aan de halfwaarde tijd), Knr de non-renale klaring en Kslope de factor waar de CLcreat mee vermenigvuldigd moet worden. In de populatiekinetiek is de Kslope berekend gebruikmakend  van de berekening van de CLcreat mbv C&G. Bij TDM berekeningen wordt voor de individuele patient deze faktor individueel bepaald. Wordt de creatinineklaring nu anders bepaald of berekend, dan wijkt de CLcreat af en is daarmee de Kslope niet meer de goede parameter. Correctie van de Kslope met dezelfde factor als de CLcreat afwijkt als gevolg van nieuwe bepaling of berekening is dan aangewezen om geen afwijkingen in Ke te krijgen. Voorbeeld: CLcreat is 70 ml/min in de oude situatie. In de herberekende situatie wordt deze afgegeven als 84 ml/min, 20% hoger. Als nu Kslope 20% lager wordt ingesteld (populatiegemiddelde is voor gentamicine 0.0024) dan wordt deze waarde 0.00288. Voeren we deze waarde in in de formule die het kinetiek programma gebruikt dan kan hier gewoon verder mee gerekend worden en zullen de doseeradviezen niet afwijken.
Een alternatief is na de eerste direct twee spiegels af te nemen en de halfwaardetijd van gentamicine in deze patiënt direct uit te rekenen. Daarmee wordt in feite de Kslope van deze patiënt berekend bij de opgegeven/gebruikte waarde voor de creatinine klaring.
Als conclusie kan gesteld worden dat voor geneesmiddelen waarbij TDM gedaan wordt de veranderde waarden voor de creatinineklaring of de GFR geen gevolgen heeft.

De absolute methode
Voorbeeld geneesmiddel hier is carboplatin. De dosis van carboplatin wordt bepaald met behulp van de formule van Calvert:  Dosis = AUC x (25 + GFR) De AUC staat hier voor het oppervlak onder de concentratie tijd curve van carboplatin, nodig voor de behandeling van een bepaalde kanker. De AUC varieert van 4 – 7. Om inzicht te krijgen in de gevolgen van de veranderde GFR waarde, is het goed de totale nauwkeurigheid van de Calvert formule te bekijken. Bij de vaststelling van de vereiste dosis voor een betreffende aandoening spelen de marges van de bepaling van de GFR, de meetfout in de concentratie en de bepaling van de AUC een grote rol. Alles bij elkaar opgeteld (afwijking GRF +/- 3% , creatinine bepaling +/- 5%, AUC berekening 10%) kan deze fout oploopen tot 18%. Dit betekent dat bij een dosis van 500 mg bij een 70 jarige patiënt met een creatinineklaring (!) van 75 ml/min een AUC bereikt wordt tussen 4.1 – 5.9, een dosis van 600 mg geeft een spreiding van 4.9 – 7.1 en 700 mg een spreiding van 5.6 – 8.3 . Wat is nu nog het onderscheid tussen een AUC van 5,6 of 7?

 

De plaats van cytochroombepalingen in de TDM

J. v.d. Weide, St. Jansdal Ziekenhuis Harderwijk

Geneesmiddelen grijpen in het lichaam aan op verschillende eiwitten, zoals receptoren, transporteiwitten en enzymen. Afwijkingen in deze eiwitten kunnen leiden tot een afwijkende respons op de medicatie. Binnen de farmacogenetica wordt deze relatie onderzocht. De interactie tussen genen en geneesmiddelen laat zich goed beschrijven aan de hand van de cytochroom P450 enzymsystemen. 
Cytochroom P450 enzymen spelen een belangrijke rol bij het metabolisme van een groot aantal geneesmiddelen. Hieronder vallen ondermeer bepaalde antibiotica, β-blokkers, glucoseverlagende middelen, anticoagulantia, en veel psychofarmaca. Tot dusver zijn er >30 cytochroom enzymen geïdentificeerd. Van veel van deze cytochroom P450 enzymen zijn inmiddels afwijkingen in de genetische volgorde bekend. Deze kunnen leiden tot grote interindividuele verschillen in de snelheid waarmee geneesmiddelen gemetaboliseerd worden. Bij langzame metaboliseerders bestaat de kans op een te hoge bloedspiegel en bijwerkingen. Bij mensen die een versneld metabolisme hebben, wordt mogelijk de therapeutische serumconcentratie niet bereikt: een normdosering zal bij hen veelal minder effectief zijn. Daarentegen zijn zogeheten prodrugs (geneesmiddelen die werkzaam worden nadat ze door een enzym zijn omgezet in een actieve stof) minder werkzaam bij langzame metaboliseerders.
Genotypering van cytochroom P450 enzymactiviteit speelt dus een grote rol bij het voorspellen van gewenste en ongewenste geneesmiddeleffecten. Wanneer het bekend is dat een patiënt een afwijking heeft in het cytochroom metabolisme, kan hiermee vervolgens rekening gehouden worden bij de keuze van de medicatie (en dosering). Op deze manier kan ook bij deze patiënten een therapeutische dosering bereikt worden. 
Daarnaast is het mogelijk zo dat patiënten met een afwijkend cytochroom P450 metabolisme vaker last hebben van bijwerkingen. 

De activiteit van cytochroom P450 enzymen hangt echter niet alleen af van de genetische factoren. Ook omgevingsfactoren, zoals co-medicatie, dieet of roken kunnen een rol spelen.

Sommige geneesmiddelen kunnen specifieke cytochroom P450 enzymen remmen of juist induceren. Hierdoor kan het metabolisme van eventuele co-medicatie ernstig gestoord worden. Ook bepaalde voedingsproducten, denk hierbij bijv. aan grapefruitsap of st. Janskruid, kunnen effect hebben op de enzymactiviteit. Daarnaast heeft ook roken een grote invloed op de activiteit van bepaalde cytochroom P450 enzymen. Uit onderzoek binnen GGz Meerkanten is bijv. gebleken dat mensen die roken gemiddeld een twee maal hogere dosering van het antipsychoticum clozapine nodig hebben om een therapeutische spiegel te bereiken.
Ook interne factoren, zoals ziekte, leeftijd en geslacht, spelen een belangrijke rol. Het moge duidelijk zijn dat een verminderde leverfunctie tot een vertraagd metabolisme kan leiden. Ook op oudere leeftijd neemt de metabole capaciteit af. 

Genotypering en bloedspiegelbepaling

Afwijkingen in de geneesmiddelspiegel zijn dus niet altijd te verklaren door het genotype. Wanneer alleen eenmalig een genotypering gedaan zou worden, zouden veel afwijkingen in serumconcentraties niet opgemerkt worden. Daarom kan het belangrijk zijn geneesmiddelspiegels te laten bepalen. Afwijkende spiegels kunnen vervolgens mogelijk door een afwijkende genotypering verklaard worden. Is het eenmaal bekend dat er sprake is van een afwijkend metabolisme, dan kan daar bij de keuze en dosering van de medicatie voortaan rekening mee gehouden worden.
Binnen de GGz Meerkanten wordt routinematig bij iedere nieuwe patiënt zowel een genotypering voor een aantal cytochroom P450 enzymen uitgevoerd, als de geneesmiddel spiegel bepaald volgens protocol. Bij ca. 12% van de patiënten wordt hierbij een afwijkend metabolisme vastgesteld. Bij hen is aanpassing van de dosering en/of (co)medicatie noodzakelijk.

 

terug naar boven

 

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan info@kkgt.nl.